Pure dosis woordenbrij

Gulzigheid was mijn eerste zonde. Als een hongerig dier ging ik op zoek naar leesbaar voedsel: letters voor mijn ziel, woorden voor mijn volle hoofd. Ik snoof zinnen op, slurpte ze gulzig naar binnen en liet ze door mijn nimmer bevredigd strottenhoofd vloeien.
De woorden waren mijn dagelijkse shot. De doos cornflakes op de keukentafel of de reclameborden langs de weg: niets was veilig voor mij.
Op zondag kreeg ik mijn meest pure dosis. De flinterdunne papiertjes gleden door mijn handen. De vreemde woordenvloed zoog ik gretig op. Zonder nadenken murmelde ik de Latijnse liederen mee, me nog niet bewust van de betekenis van de woorden zonde en boete.

Door de vingers

Met krachtige slagen haalde hij de netten op. Telkens weer trok hij wat bij hem hoorde naar zich toe. Met weemoedige trots keek hij naar zijn buit van vandaag.
Daarna begon het fijnere werk: het zoeken naar de leemtes, waar het net niet stevig genoeg was om alles bij zich te houden. Zijn zeemanshanden waren te ruw om het net te herstellen. Hij miste haar fijne handen, die het garen bijeen konden houden. Elk uitgesponnen holte voelde als een falen aan. Steeds weer opnieuw verloor hij haar.

The wall

Het was een gebouw als een schooluniform: strak en eentonig. De grijze gevel was ingedeeld in gelijke vlakken. Een exact aantal ramen, vier op vier, omgeven door een gelijkzijdig vierkant. Netjes, uitgemeten en saai.
In één tel flitsten alle lampen aan, alsof ze het bevel van een schoolmeester braafjes opvolgden. Ze wierpen hun licht op uitgemeten bureaus met stijve burgers erachter. Vlakke panelen deelden de ruimtes op in nog kleinere ruimtes. De leefbare omgeving was precies uitgeteld en afgemeten.
Joyce bestudeerde de betonnen gevel voor zich. Haar ogen gingen op zoek naar wat in de verlichte kamertjes het daglicht niet mocht zien. Ergens moest er toch één bediende zijn die even uit de band sprong, even het saaie maatpak naast zich neerlegde. Of zou het dan toch waar zijn dat voor een creatieve anarchist geen plek was in deze maatschappij?
Ze trok haar schouders op en dook diep in haar capuchon. Vliegensvlug kroop ze achter het hoekje en haalde haar spuitbus boven. Als deze ambtenaren geen leven in de brouwerij brachten, dan kon deze creatieveling daar wel voor zorgen.

Barstend geluk

Als verdoofd loop ik het gebouw uit. Mijn holle stappen klinken als de dood. “Een, twee, dood, een, twee, dood,” weergalmt het in mijn hoofd. Ik wil hier weg. Weg van de plek waar ze haar binnenbrachten, bebloed als was het een vers geslacht lammetje. De ijsstronk die door de frisse communicant wordt aangesneden. De ontredderde blik in zijn ogen wanneer het rode bessensap er uitstroomt. Net als ik, die links zat, en niet eens een schrammetje vertoonde. Enkel de arm waarmee ik haar wou beschermen werd van me weggerukt. Een arm uit de kom en een gemoed in de knoop.
De glazen draaideur staart me mistroostig aan. Ik wil hier weg en duw de deur open. Ik raak gevangen in glas, gevangen in mezelf, gevangen in mijn schuldgevoel. Ik sla wild om me heen, maar kan haar niet grijpen. Rond mij enkel lucht en het eeuwige niets. Heel in de verte hoor ik het gelach weerklinken.
Met een forse uithaal komt de deur in beweging. Het gelach springt me tegemoet. Het gelach van mensen, vrolijk op het terras, badend in de zon. Het gelach van de stralende mensen op het feest. Het geroezemoes toen zij de kerk binnen kwam, haar handen losjes om de bloemen, de glanzende stof vloeiend achter haar. En ik die mijn ogen niet van haar af kon houden, mijn geluk dat barstte in mijn oren.
Nu barst enkel de menigte om me heen los. Mijn ring-van-één-dag valt klaterend op de grond. De hare valt er schamper naast.

Moeder

Daar zit je dan met dat muizen
grijs in je haar, geen enkel
gevaar dat je hiervan weer
houden kan

simpelweg

moeder te zijn, met je handen
rond de klok, een zacht
behoeder van de tijd,
waarin een kind zelf
moeder wordt en niet meer

verlangt

dan die kachel zacht en
warm en de toverfee
die haar bezem aan de haak
hangt.

Aan alle moeders: een fijne feestdag gewenst!

De belofte

Mijn kinderjaren gingen aan mij voorbij. Wie zegt dat dit de gelukkigste tijd is in een mensenleven raaskalt. Ik herinner me enkel bebloede knieën, vieze zakdoeken en spoken onder mijn bed.
Ook het middelbaar was niet veel soeps. Toen enkel genante momenten in de pashokjes van het zwembad, tevergeefs spieken bij examen Frans en strafstudie bij Anthierens.
Het was pas aan de universiteit dat ik echt begon te leven. De eerste keer dat ik haar zag: hoe ze haastig de aula binnenkwam en daarmee de aandacht van de prof en van mij opriep. “Op tijd komen is een schone deugd, zeker voor toekomstig artsen,” liet hij door de aula heen galmen. Haar bolle kaken kleurden als haar vederlichte krullen. Ik maakte op dat moment mezelf de belofte dat ik haar ook zo zou doen blozen, maar dan van plezier.

Desperate houswife

Met een hoogzwangere boodschappentas stapte ze de monovolume uit. Ze drukte de melk onder de arm en opende de deur met de vrijgekomen hand. Met een schokje vloog de deur open en viel ze de gang binnen. De bus melk gleed onder haar uit en barstte open. Het witte goedje verspreidde zich tussen de wielen van de dubbele kinderkoets. De twee kleine kapstokjes hingen er grijnzend boven.
Met een heupzwaai sloot ze de deur achter zich en liet het hele huis daveren. Als twee huppelende kinderen vielen de jasjes van hun knopjes en lieten zich gewillig op de bezuivelde vloer vallen. Nog voor ze luidkeels kon vloeken opende haar echtgenoot de deur en gaf de melk zo vrijgeleide naar de rest van het huis.

Nocturne

En als de nacht
komt, weet ik
dat je zal komen

jij met jou
ik met ons

en ik die wacht in
een bed vol hart
verscheurende dromen
omgeven door zwart
en scherpe dons.

Primavera (2)


Nieuw leven

Het wordt lente, mijn lief
Hoor je de vogels fluiten?
Zie je hoe de natuur ontwaakt
En de leeuwerik zijn liedeken zingt?

Het wordt lente, mijn lief
Laten we gaan liggen in het gras
Waar jij op een bedje van violen mag rusten
En de zoete zon je wimpers bemint

Het wordt lente, mijn lief
Je mag nu je ogen sluiten
Nu de madeliefjes gaan blozen
En er nieuw leven begint.
(Lubbeek, 21 maart 2008)

primavera

Profundo
duo dwarsfluit en gitaar
(Steven De Baecke en Geert Claessens)
samen met Nele De Ganseman
stellen voor
(muziek en poëzie concert rond het thema van de lente)

op 21 maart om 20u, in het Calvariebos te Lubbeek



Kaarten gratis te bestellen
bij de gemeente Lubbeek
tel. 016 47 97 00.

--------------------------------------------
Duo Profundo, duo fluit en gitaar, opgericht in 1998 bestaat uit
Geert Claessens, gitarist (met een internationale carrière als concertgitarist, won talrijke gerenommeerde wedstrijden in binnen-en buitenland waaronder een eerste prijs op het Internationale Gitaarconcours te Carpentras (Frankrijk), een eerste prijs op de Internationale Gitaarwedstrijd Manuel M. Ponce (Mexixo), een tweede prijs in de Derde Internationale Gitaarwedstrijd "Printemps de la Guitare 1992" van Brussel/Walcourt )
en
Steven De Baecke, fluitist (hoger diploma fluit aan Koninklijk Conservatorium te Brussel en laureaat en meester aan het Lemmensinstituut te Leuven, free-lance fluitist in o.a. orkest van Vlaamse Opera en als kamermuziekspeler in diverse ensemble)
samen met
Nele De Ganseman, schrijft gedichten en verhalen, die ze zelf graag vertelselkes noemt. Haar inspiratie vindt ze in de kleine straatjes en achter de gordijntjes van het leven. Ze voelt zich thuis in taal en het liefst van al vertelt ze haar creaties voor een publiek van bekenden en minder bekenden.
-------------------------------------------

Droogkost (of waarom de wolf een klein meisje opat)

Met lange tanden beet hij op de blaren. De droge takken schraapten over zijn tandvlees, zijn gehemelte werd er droog van. Het knisperde en kraakte in zijn muil, maar smaken deed het hem niet. Een scherpe pijn schoot door zijn linkerkaak, zwaar gorgelend hoestte hij het goedje weer uit. Een verbeten netel viel tussen de blaren op de grond. “Ook dat nog,” zuchtte hij. Met zijn snuit zocht hij tussen de humus. Geen levend wezentje meer te bekennen. Zelfs geen half vergaan stukje vlees. Droogkost zou hij eten, willen of niet.
Zijn oren gingen gespitst staan, toen hij een vreemd geluid hoorde. Het leek wel op vogelengezang en hij begon spontaan te smikkelen bij de gedachte aan het sappige vlees. Half verstopt achter de struiken tuurde hij in de lucht. Geen vogel te zien. Het gekwetter leek van ergens anders te komen, vlak naast zich op de begane grond. In zijn linkerooghoek merkte hij een rood stipje op. In een oogwenk sprong hij op, klaar om het roodborstje te vermorzelen. Een fris gedaante in het rood keek hem verschrikt aan. Hij gromde geschrokken en toonde zijn tanden. Zij deed een sprongetje naar achter maar bleef hem nieuwsgierig aankijken.
“Ik ben op zoek naar paddestoelen,” kwetterde ze, “Weet jij waar er hier groeien?”
“Zeker, lief kind. Dit bos zit vol met lekkernijen,” gniffelde hij.

Het speelpaleis

1. Glimlachend tuurt ze naar de lucht. Enkel witte wolkjes te bespeuren. Verder krijgt de zon vrij spel.
Intuïtief glijden haar ogen naar de verte en blijven hangen in de hoge toren. Ze telt de treden van het speelpaleis en duizelt. Haar hart slaat één tel over, wanneer ze beseft dat hij uit haar gezichtsveld is verdwenen.
In een flits ziet ze hem staan. Zijn ene handje omknelt de houten rand als klimop rond een kasteelwand. Met zijn andere hand zwaait hij wild heen en weer. Als aangevuurd door een kanon schiet ze vooruit en loopt in haar haast op een klein meisje. Eén seconde volstaat om het kind te doen vallen. In precies dezelfde seconde valt een kleine jongen in de verte. Zijn gegil hoort ze nog minutenlang verder galmen.

2. Heen en weer loopt hij over de houten balken. Hij telt ze één voor één. Zo heeft juf Moniek hem geleerd. Hij zegt de cijfers heel hard. Zo kan zijn mama ze horen. Aan het einde van de loper is er een groot paleis. Wauw, zo veel treden kan hij nog niet tellen. Eén voor één beklimt hij ze. Telkens weer telt hij tot vijf in zijn hoofd. Halverwege raakt hij de tel kwijt. Hij moet zich te hard concentreren op de steile trappen. Hij komt boven aan en zoekt de ogen van zijn mama. Ze komt naar hem toe gelopen en hij zwaait heel hard.
“Kijk mama, zo hoog ben ik geklommen,” roept hij en springt juichend op en neer.
Hij valt vijf keer vijf treden naar beneden.

Nieuwjaarsstokje

En toen, zomaar ineens, kreeg ik een stokje in de bus. Van een échte schrijfster nog wel en dat terwijl ik niet eens een échte blogger ben. Maar stiekem vind ik het natuurlijk wel leuk en nog stiekemer zal ik het gebruiken om wat reclame te maken. En zo zet ik het stokje dat eigenlijk voor het eind van het jaar is bedoeld lekker naar mijn hand en maak er een heus nieuwjaarsstokje van...

Een artiest die ik vorig jaar heb leren kennen:

Bijna twee jaar geleden schreef ik dit:

Het was een plekje tussen de kast en de muur. Letterlijk dan. Ik paste er net helemaal tussen en zat dan stiekem een beetje verborgen. In een bolletje gevouwd kroop ik met mijn oor tegen de luidspreker aan. Echt goed luisteren, kon ik dan. Eerst waren het sprookjes. De wolf en de biggetjes kwamen er tot leven. Later werd het Boudewijn De Groot, Wim De Craene of Zjef Vanuytsel.
Ik heb nooit begrepen waarom het kleinkunst werd genoemd. Grootse emoties waren het, waar ik als kleine meid met grote oren naar luisterde. Van Bram Vermeulen leerde ik dat je nooit helemaal doodgaat. Kris De Bruyne bracht me aan het dromen over boekenwinkels in Amsterdam en Frank Boeijen gaf Kronenburg Park voorgoed een bijzondere bijklank.
En zo kan je bijna zeggen dat die liederen me mee hebben gevormd. Me een blik op de wereld hebben gegeven en mijn gevoel voor taal en symfonie hebben gestimuleerd. En me hebben geleerd wat grootse en kleine emoties zijn en hoe je die kan verpakken in een wereld van verschil.

Die grootse en kleine emoties blijven aan me kleven. Artiesten die me echt raken, zijn dan ook de straffe madammen en meneren van deze tijd die erin slagen om in de taal van alleman het leven van alledag te beschrijven. En dat dan op een manier die recht binnenkomt.
Mira, bijvoorbeeld. Een schone naam en een schoon madam. Eentje die absoluut ontbrak op mijn eindejaarsverlanglijstjes.

Iets wat ik vorig jaar heb meegemaakt en wat me altijd zal bijblijven

Twee kleine mannekes, een sterke vrouw en een lelijke ziekte. Of hoe het leven soms hopeloos onrechtvaardig is.

Een blunder die ik sinds vorig jaar op mijn naam heb staan

Eentje maar? Dat wordt moeilijk kiezen. Laat ik het maar houden op het kerstdiner waar ik in mijn vurig enthousiasme de tas thee omstootte en over mijn dijen heen liet stromen. Of hoe ik daarna tergend langzaam de minuten telde terwijl ik in de badkamer van mijn schoonouders ijskoud water over mijn verbrande benen liet stromen.

Iets wat me stiekem héél erg trots maakt

Hoe ik bijna een jaar met een telefoonnummer van een kinderboekenuitgeverij op zak liep en uiteindelijk de moed vond om hen te mailen. Hoe ik hun commercieel idee tot een heel erg persoonlijk concept uitwerkte en heel veel plezier beleefde aan het uitwerken ervan. Hoe ik stilletjes aftel tot de zomervakantie om mijn eerste echte boekje te kunnen gaan kopen in de winkel.

Iemand die ik hiermee wil lastig vallen

Iemand die eigenlijk ook geen blogster (meer) is, maar die ik bij deze extra in de kijker zet. Al was het maar omdat ik blij ben dat ik haar nu al mag kennen, nog vóór ze de bekendheid zal verwerven die ze als dichter ongetwijfeld verdient. Ga maar eens kijken.

Papieren droom

Een vliegtuigje met de neus
in het zand: een kinder
droom in de vlucht
gesmoord.

Haiku

De zee laat zich zien
Neemt het droge zand tot zich
Omhelst ons allen

Wintekind

Ren je op blote voeten naar de telefoon?
Dan is het winter.
Word je in één klap wakker?
Dan is het winter.
Krijgt de dikke buik plots een naam?
Dan is het winter.
Kan je niet wachten om hem in je armen te nemen?
Dan is het kind er.

Een stijloefening op basis van een vaste gedichtstructuur (geïnspireerd door Jan Hanlo, 'Dan is het herfst')

De verrader met het pluchen zwaard

Enkel en alleen van mij, was ie. Zijn pootje paste precies in het mijne. Mijn hoofd was net groot genoeg voor zijn stoere buik.
Hij rook naar warme melk, poepjeszalf en oma’s koekjes. Het allerleukste ter wereld, genesteld in zachte dons.

Mijn grote held, was ie. De bewaker van mijn fort. De ridder van mijn dromenpaleis. En als de enge beesten kwamen, stond hij ze met zijn pluchen zwaard op te wachten. Hij overwon ze elke keer.

Een echte verrader, is ie nu. Bezweken aan de opruimkoorts en kuiswoede van mama. Dolgedraaid tussen de grote mensen hemden en vieze keukendoeken. Ruikend naar valse lelieblaadjes. Verhard door het voortdurend schuren tegen de wand.

Verbannen naar de koude vloer, is ie nu. Geen plaats voor stoute beren in mijn bed. Ik ga op zoek naar nieuwe pootjes om op te sabbelen en andere oortjes om in te fluisteren. Want weet je, Konijn Langoor lijkt ook sterk. En ja, mijn duim is best wel lekker.

De dame

Op hoge hakken loopt ze langs de inox tafeltjes. De bepoederde neus opgetrokken, de krokodillederen handtas geklemd tussen elleboog en zij. Het dienblad met 10 Zweedse balletjes en veenbessensaus houdt ze ver voor zich uit. Met één wenkbrauw opgetrokken bespiedt ze de ruimte: haar ogen vliegen langs de joelende kinderen, de tot kalmte aanmanende ouders en kleine speeltafeltjes. Haar parelmoeren ketting steekt sterk af tegen hippe blauw groene wand. De goud omrande bril pronkt als een trotse lijfwacht recht op de neus. Zo blijft ze enkele momenten staan, tot ze in snelle beweging de pas vrijgekomen stoel inneemt. De vrouw die met twee jengelende kinderen al een kwartiertje stond te wachten, kan enkel een venijnige duw krijgen. “Diet iez mijn plaats,” snauwt de dame, waarna ze haar scheef gevallen bril recht zet en onverstoord haar pommes frites opeet.

Een schrijfopdracht betreffende een observatie, in het kader van de opleiding 'literaire creatie', aan de academie voor muziek en woord.

Steen voor steen


steen voor
steen spoelde ik
aan bracht niets
dan eb en
vloed

het ruwe kreeg ik niet
weggespoeld het rauwe
niet verteerd
de stenen nooit meer
op elkaar
Een aanpassing van een gedicht dat ook verscheen op tweewoonst, met dank aan de tips van Annemarie Vriends.

Zoekend

Het was stil
in huis weet je nog
dat ik je steeds vroeg
het licht uit te doen?

Waar was je?
Toen ik thuiskwam
en het donker
me overviel

Net als die stoel
en jouw schaduw

Ach lief
wat was je
zwaar
en hoe is het me nooit
gelukt
je te dragen

Dit gedicht verscheen op 11 april met bijpassende foto op tweewoonst en is ook te vinden op labo de lux. Stemmen zijn altijd welkom!